Een kunstknie en nu?

Home / Algemeen / Een kunstknie en nu?
In Algemeen

1. Hoe ontstaan knieklachten eigenlijk?
Het kniegewricht bestaat uit twee botdelen die precies op elkaar passen: het bovenbeen (dijbeen) en het onderbeen (scheenbeen). De uiteinden daarvan zijn bedekt met een laag kraakbeen, zodat ze soepel en pijnloos langs elkaar bewegen. Een stevig omhulsel (kapsel) houdt de botdelen op zijn plaats. Een normaal functionerende knie kan 140 graden buigen en strekken.
Met het ouder worden kan het kraakbeen in de knie geleidelijk gaan slijten of zelfs helemaal verdwijnen. De botuiteinden worden dan ruw en schuren langs elkaar. Dat soort slijtage wordt primaire artrose genoemd.
Artrose veroorzaakt een steeds erger wordende pijn bij het bewegen. Zwelling en stijfheid zorgen ervoor dat de knie niet meer goed kan buigen en strekken. Door het verdwijnen van het kraakbeen ontstaat er speling in het gewricht, wat een instabiel gevoel kan geven.
Van alle 55-plussers heeft één op de vijf last van artrose; 60 procent van hen is vrouw. Vrouwen hebben een drie keer zo grote kans als mannen om een kunstknie te krijgen. Hoe dat kan, is nog niet bekend. Waarschijnlijk spelen onder andere erfelijkheid, hormonen en overgewicht een rol.
Behalve door ouderdom kan het kraakbeen in de knie ook beschadigd raken door een verkeerde stand van de botten (O-benen of X-benen), door ziekte (zoals reuma) of door letsel (bijvoorbeeld een breuk of een gescheurde kruisband). In dat geval spreekt men van secundaire artrose.

2. Wanneer kies je voor een knieprothese?
De behandeling van knieslijtage is afhankelijk van de ernst ervan. Bij lichte knieslijtage wordt over het algemeen gekozen voor een niet- operatief behandeltraject. Denk hierbij aan aanpassing van activiteiten, pijnstilling, fysiotherapie en soms een injectie in de knie met ontstekingsremmende medicijnen. Ook een corrigerende brace behoort tot de mogelijkheden.
Bij ernstige knieslijtage is het gewrichtskraakbeen vaak zo erg beschadigd, dat de beweeglijkheid van de knie en de pijn alleen verminderd kan worden door middel van een knieprothese. Afhankelijk van de ernst van de slijtage en de locatie ervan kiest de specialist daarbij voor een halve – oftewel unicondyclaire – knieprothese of een totale knieprothese.

3. Komt deze operatie vaak voor? Oftewel: hoe goed zijn ze erin?
Het plaatsen van knieprothese is een zeer veelvoorkomende operatie die veelvuldig wordt uitgevoerd in zowel ziekenhuizen alsook zelfstandige behandelcentra, de zogenoemde ZBC’s. In beide gevallen wordt deze operatie volledig vergoed.
Omdat deze operatie zo veel voorkomt, zijn de specialisten er in het algemeen ook erg ervaren in. Dit blijkt ook wel uit de succescijfers; want 80 tot 90 procent van de patiënten is tevreden met het resultaat. Na plaatsing van een totale knieprothese heb je meestal geen pijn meer en kun je normaal lopen en fietsen.

4. Heb ik zelf invloed op de mate waarin mijn knieën slijten?
Jazeker. Hoe zwaarder de knie wordt belast, hoe sneller het kraakbeen wordt aangetast. Ernstig overgewicht zet de knie extra onder druk. Ook sommige intensieve sporten (zoals hardlopen of voetballen) of zware beroepen (zoals stratenmaker) vragen veel van een kniegewricht.
Dat betekent overigens niet dat alle bewegingen slecht zijn voor een knie. Integendeel, met mate bewegen helpt juist om het gewricht soepel te houden. Het ‘masseert’ het kraakbeen en bevordert de opname van de broodnodige bouwstoffen. Zelfs met een versleten en pijnlijke knie is het goed om in beweging te blijven.

5. Wanneer moet een versleten kniegewricht worden vervangen?
Als er sprake is van duidelijke slijtage en de pijn zo erg wordt dat het dagelijkse doen en laten eronder gaat lijden. Wanneer dat moment daar is, verschilt van patiënt tot patiënt. Een belangrijke reden om tot het plaatsen van een kunstknie over te gaan, is als lopen en fietsen moeizaam gaan en/of als ’s nachts wakker wordt gelegen van de pijn.

De diagnose wordt gesteld aan de hand van de beschrijving van de klachten en een lichamelijk onderzoek. Pas bij vergevorderde artrose is de slijtage zichtbaar op een röntgenfoto. Afhankelijk van hoe hij wordt belast, verslijt de ene knie sneller dan de andere. Is er eenmaal sprake van ernstige artrose, dan moeten op den duur vaak beide knieën worden vervangen.
6. Hoe gaat een knievervanging in zijn werk?
De chirurg verwijdert al het beschadigde kraakbeen uit het kniegewricht. Vervolgens maakt hij de versleten bot-uiteinden op maat voor de prothese. Een kunstknie bestaat uit twee metalen delen die aan het boven- en onderbeen worden bevestigd. Daartussen komt een kunststof laag die ervoor zorgt dat de uiteinden soepel en pijnloos bewegen. Soms wordt ook de knieschijf vervangen, maar meestal is dat niet nodig.
De operatie neemt zo’n één tot twee uur in beslag. Doorgaans wordt de ingreep onder regionale verdoving (met een ruggenprik) uitgevoerd en in sommige gevallen onder narcose. Het voordeel van lokale verdoving is dat de revalidatie daarna sneller kan starten dan na een algehele narcose.

7. Moet altijd het hele kniegewricht worden vervangen?
In negen van de tien gevallen wel. Soms is alleen de binnenkant van de knie(ën) beschadigd. Dan kan een ‘halve’ knieprothese, oftewel een unicondylaire knieprothese, een optie zijn. Dat betekent dat alleen het kraakbeen aan de binnenkant van de knie wordt vervangen. Het eigen kniegewricht blijft intact, waardoor de patiënt mogelijk sneller herstelt en hij zijn knie op een meer natuurlijke manier kan blijven bewegen. Voorwaarde is wel dat de kruisbanden van de knie nog goed functioneren.

8. Past een prothese altijd?
In Nederland worden tientallen verschillende knieprotheses gebruikt. Elk van die protheses is in verschillende maten verkrijgbaar, van groot tot klein en van breed tot smal. Voor iedere patiënt is er een geschikte variant. Tijdens de operatie kiest de chirurg de definitieve maat. Vervolgens maakt hij die passend op het boven- en onderbeen van de patiënt. Met nieuwe technieken kan dat steeds nauwkeuriger.

9. Welke prothese is het beste?
Er is niet één prothese die duidelijk boven de rest uitsteekt. Alle in Nederland gebruikte protheses zijn van uitstekende kwaliteit. Welke kunstknie het meest geschikt is, hangt onder andere af van de oorzaak van de slijtage, de lichaamsbouw en de levensstijl.
Sinds enige jaren is er een databank, het Landelijk Registratiesysteem Orthopedische Implantaten (LROI), waarin alle gegevens van knie- en heupprotheses worden verzameld. Zo wordt bijgehouden hoeveel complicaties er bij een bepaalde prothese optreden en hoe snel die slijt. De gegevens helpen chirurgen om de prothese te kiezen die op de lange duur het beste resultaat geeft.

10. Zijn er risico’s verbonden aan deze ingreep?
Het plaatsen van een knieprothese is een veel uitgevoerde operatie die slechts zelden met complicaties gepaard gaat. Zoals bij andere vergelijkbare operaties, zijn er echter risico’s.
De meest voorkomende complicaties zijn bloeduitstortingen (blauwe plekken) en zwelling. Ook trombose (bloedstolsels in de aderen) of een infectie en lichte bewegingsbeperking komt voor.
Als de kunstknie overmatig wordt belast – bijvoorbeeld door uitzonderlijk veel traplopen, rennen en hurken – kan de prothese uiteindelijk losraken. In dat geval moet een hersteloperatie worden uitgevoerd.

11. Hoe lang verblijf ik in het ziekenhuis?
Gemiddeld drie tot zes dagen. Je mag naar huis als je de knie 90 graden kunt buigen (zodat je in de auto kunt stappen) en met behulp van krukken zelfstandig kunt lopen en naar het toilet kunt. Verder moet de wond genezen zijn.

12. Hoe ziet mijn revalidatieproces eruit?
Hoe sneller je weer op de been bent, hoe vlotter het herstel verloopt. Mensen zijn vaak bang dat ze de prothese kunnen beschadigen als ze hem belasten, maar die zorg is onterecht. In sommige klinieken wordt gebruik gemaakt van het zogenoemde Rapid Recovery. Het principe van Rapid Recovery is dat een snelle mobilisatie leidt tot een beter en sneller herstel.
Daarna krijg je hulp en aanwijzingen van een fysiotherapeut. Hij leert je onder andere hoe je een bed of een stoel moet in en uit komen en welke houding je bij het zitten en liggen moet aannemen. Daarnaast oefen je samen het lopen met krukken.

13. Hoelang duurt het herstel?                
Na thuiskomst uit het ziekenhuis heb je een aantal weken hulp nodig voor de boodschappen, de huishoudelijke taken en de persoonlijke verzorging. Lukt het niet om dat te regelen, dan bestaat de mogelijkheid om in een verzorgingshuis te revalideren.
Na de operatie kan de knie nog wel een half jaar warm aanvoelen. Dat is geen complicatie, maar een natuurlijke reactie van het lichaam op het ‘vreemde’ materiaal van de prothese. Door de knie driemaal per dag gedurende twintig minuten te koelen, verminderen de zwelling en de pijn en wordt het makkelijker om oefeningen te doen.
De eerste zes weken loop je met twee krukken, daarna nog een of twee weken met één. Gedurende minimaal drie maanden blijf je twee keer per week met de fysiotherapeut oefenen om weer goed te leren bewegen en de kniespieren te versterken.  Zittende werkzaamheden kun je na twee tot zes weken hervatten, staande werkzaamheden na drie tot vier maanden. In totaal neemt de revalidatie drie tot zes maanden in beslag. Pas na een jaar tot anderhalf jaar is het herstel helemaal voltooid en weet je wat het uiteindelijke resultaat van de operatie is.
Een prothese kan de natuurlijke bewegingen van de knie daarom nooit helemaal nabootsen. In tegenstelling tot een nieuwe heup, waarmee een patiënt meestal alles weer kan, levert een kunstknie wat beperkingen op. Hoe groot de beperkingen zijn, hangt af van de mate waarin de knieprothese kan worden gebogen.
De buigzaamheid van de knie is afhankelijk van die van de eigen knie vóór de operatie. Als die beperkt was, zal dat ook voor de kunstknie gelden. Het streven is om met een prothese in ieder geval een buiging van meer dan 90 graden (een ‘haakse hoek’) mogelijk te maken.

14. Hoe kan ik mijn kunstknie zo goed mogelijk beschermen?
Een gezond lichaamsgewicht zorgt ervoor dat je knieprothese niet onnodig snel slijt. Het vermindert ook eventuele pijnklachten. Gepaste lichaamsbeweging (wandelen, fietsen, oefeningen op maat) maakt de kunstknie soepel en sterk.
Voorkom infectie. Als je een ontsteking krijgt aan bijvoorbeeld uw huid, tenen, blaas, longen, keel of gebit, kan die zich via het bloed verspreiden naar de knieprothese. Informeer daarom direct de huisarts als je vermoedt dat je een infectie hebt. Onderga je een chirurgische ingreep, breng de behandelend arts dan vooraf op de hoogte van de kunstknie. Dat geldt ook voor een relatief kleine operatie, zoals het een wortelkanaalbehandeling bij de tandarts.

15. Hoelang gaat een kunstknie mee?
Na tien jaar functioneert de prothese nog goed bij 95 procent van de patiënten. Na vijftien jaar is dat bij 90 procent van de patiënten het geval en na twintig jaar bij 80 tot 85 procent. Omdat de huidige kunstknieën nu zo’n 25 jaar op de markt zijn, is nog niet bekend hoelang ze uiteindelijk mee gaan

Bron: Gezondheidsnet.nl
http://www.gezondheidsnet.nl/spieren-en-gewrichten/15-vragen-over-een-knieprothese

Recent Posts